Werken met referentieniveaus in het basisonderwijs

Werken met referentie- niveaus in het basis- onderwijs

Werken met referentieniveaus in het basisonderwijs

Dit moet je weten


Sinds 2010 werken we in het (basis)onderwijs met referentieniveaus. Een jaar eerder werden ze door de commissie Meijerink opgesteld om ervoor te zorgen dat er in het hele Nederlandse onderwijs concrete doelen zijn om naartoe te werken. Toch is het voor lang niet iedereen duidelijk wat referentieniveaus precies zijn, waarom we er in het basisonderwijs mee werken en vooral hoe je ze gebruikt in je dagelijkse onderwijs. Wij verzamelden om deze reden alle vragen die ons ooit over dit onderwerp gesteld zijn en geven er op deze plek een duidelijk antwoord op. 
Wat zijn referentieniveaus?
Referentieniveaus zijn beschrijvingen van de taal- en rekenvaardigheden van leerlingen. Ze geven aan wat leerlingen moeten kennen en kunnen op bepaalde momenten in hun onderwijsloopbaan. De referentieniveaus gelden voor leerlingen van 4 tot 18 jaar en zijn dus niet alleen bestemd voor het basisonderwijs, maar ook voor het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. Per onderwijssoort is vastgesteld op welk niveau leerlingen de reken- of taalvaardigheden moeten beheersen. Alle referentieniveaus samen worden het referentiekader genoemd, de basis van het onderwijs in taal en rekenen in Nederland, oftewel de doorlopende leerlijn die van het basisonderwijs tot het beroepsonderwijs loopt. 
Waarom werken we in het basisonderwijs met referentieniveaus?

Het korte antwoord? Om het onderwijs in taal en rekenen te verbeteren. Zoals gezegd geven de referentieniveaus een duidelijke omschrijving van de kennis en de vaardigheden die leerlingen op bepaalde momenten moeten hebben. Scholen zijn hierdoor beter in staat om doelen te stellen en hun onderwijs op deze doelen af te stemmen. De vorderingen van leerlingen kunnen ook beter gemeten worden. Het stelt scholen in staat om tijdig in te grijpen en bij te sturen wanneer dat nodig is. De PO-raad formuleert het zo: “ Al jaren laat het Nederlandse onderwijs een dalende score zien op het gebied van taal- en rekenen. De referentieniveaus stimuleren scholen om te werken op een meer opbrengstgerichte manier en zo de taal- en rekenprestaties te verbeteren.”

Daarnaast is het de bedoeling dat de referentieniveaus de drempels tussen de verschillende onderwijssoorten wegnemen en een doorgaande leerlijn zonder hiaten en dubbelingen creëren. De verschillende onderwijssoorten sluiten zo beter op elkaar aan en ook dat draagt bij aan de  verbetering van het taal- en rekenniveau van leerlingen in Nederland.

Maar we hebben de kerndoelen toch?
Dat klopt, maar de kerndoelen beschrijven vooral het verplichte onderwijsaanbod. Ze geven aan welke leerstof er minimaal behandeld moet worden. Omdat er ook behoefte was aan een resultaatverplichting, zijn de referentieniveaus in het leven geroepen. Bij de referentieniveaus gaat het vooral om het niveau waarop leerlingen de taal- en rekendoelen moeten beheersen.  Het gaat dus een stapje verder: scholen moeten de stof niet alleen aanbieden, de leerlingen moeten de stof ook beheersen. Je kunt de referentieniveaus dus zien als een nadere aanvulling op de kerndoelen. 
Welke referentieniveaus gebruiken we in het basisonderwijs?
Het referentiekader bestaat uit fundamentele niveaus en streefniveaus. De fundamentele niveaus geven aan waaraan leerlingen moeten voldoen, de streefniveaus vertellen waar leerlingen naartoe kunnen werken. Voor het basisonderwijs gelden de referentieniveaus 1F, 2F en 1S. Het basisniveau 1F is het niveau voor rekenen en taal dat de meeste leerlingen aan het einde van de basisschool ten minste moeten beheersen. Daarnaast is het de ambitie van de overheid dat een groot deel van de leerlingen een hoger niveau haalt: het streefniveau. Voor taal is dat het 2F-niveau en voor rekenen het 1S-niveau.
Hoe worden de referentieniveaus getoetst in het basisonderwijs?
In het VO en het MBO worden de referentieniveaus in de examens getoetst, in het basisonderwijs gebeurt dit aan het einde van de basisschool met behulp van de doorstroomtoets.  Daarnaast geven alle leerlingvolgsystemen informatie over de referentieniveaus. De meeste doen dat vanaf groep 5 of 6, omdat er vanaf die tijd iets betrouwbaars te zeggen is over het uitstroomniveau aan het einde van de basisschool . Tot die tijd is de uitslag ‘op weg naar 1F’ of iets dergelijks.
Wat heb ik als leerkracht te maken met referentieniveaus?
Als leerkracht van een bovenbouwgroep kom je de referentieniveaus in ieder geval tegen in de resultaten van de LVS-toetsen en de doorstroomtoets. Inmiddels hebben de meeste lesmethodes de referentieniveaus ook geïntegreerd, hoewel ze niet vertellen of je leerlingen op schema zitten. Daar heb je de LVS-toetsen voor. Maar ook als je geen bovenbouwleerkracht bent, hoor je te weten wat leerlingen aan het einde van groep 8 moeten kennen en kunnen. Zo zorg je samen met je collega’s voor een doorgaande leerlijn van groep 1 tot en met groep 8. Bij Leeruniek zeggen we altijd: het is niet 8 keer 1, maar 1 keer 8. Je verantwoordelijkheid voor leerlingen eindigt niet aan het einde van jouw schooljaar. Je draagt samen met je collega’s de verantwoordelijkheid voor 8 jaar basisonderwijs én een succesvolle overstap naar het voortgezet onderwijs. Eens?
Op welk referentieniveau zit mijn leerling?
Zoals gezegd geven alle leerlingvolgsystemen informatie over de referentieniveaus. In de rapportage van de LVS-toetsen wordt  zichtbaar gemaakt hoe een leerling - maar ook een groep, leerjaar of school - staat ten opzichte van de referentieniveaus. Doordat er meerdere meetmomenten zijn, kun je het uitstroomniveau en de voortgang erop goed in de gaten houden.
Hoe zorg ik ervoor dat mijn leerlingen het fundamentele of het streefniveau halen?
Het antwoord op deze vraag is misschien een beetje flauw, maar toch ook zoals het is: door goed onderwijs te geven. Je kunt ervan uitgaan dat als er bij jou op school goed onderwijs wordt gegeven, dat je er met elkaar voor zorgt dat de referentieniveaus gehaald worden. In die zin kun je de referentieniveaus ook zien als een middel om de kwaliteit van het gegeven onderwijs te beoordelen.
Waarom wordt er onduidelijkheid ervaren over de referentieniveaus?
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de belangstelling voor referentieniveaus sinds het schooljaar 2020-2021 is toegenomen. Toen ging de onderwijsinspectie ze namelijk gebruiken voor hun onderwijsresultatenmodel, een model waarmee wordt nagegaan of leerlingen voldoende geleerd hebben op het gebied van taal en rekenen. Voor die tijd leken scholen de noodzaak om met referentieniveaus te werken nog niet zo te voelen.


Geschreven door:
Cora de Raaf



Heb je nog meer vragen over de referentieniveaus of over andere onderwijsgerelateerde onderwerpen?

Via onze nieuwsbrief blijf je op de hoogte van het onderwijsnieuws!

Inschrijven