Je ziet veel. Maar je ziet nooit alles.


Je ziet veel. Maar je ziet nooit alles.


Beknopte samenvatting

  • Je ziet veel, maar nooit alles. Ook je eigen waarneming is gekleurd door verwachtingen en eerdere ervaringen.

  • Andere perspectieven maken je beeld completer. Vraag wat je duo, ouders en soms ook andere kinderen zien.

  • Verschillen zijn waardevolle informatie. Onderzoek waar en waarom een kind zich in verschillende situaties anders laat zien.

  • Het professionele werk begint daarna. Weeg de verschillende waarnemingen en vertaal ze naar wat het kind belemmert, stimuleert en nodig heeft.


"Als leerkracht zie je een kind bijna iedere dag. Je ziet wanneer het enthousiast wordt, wanneer het afhaakt, met wie het gemakkelijk samenwerkt en wanneer iets spanning oproept. Je weet dus veel. Maar je ziet nooit alles. Zoals je in ‘Een kindkenmerk is geen etiket’ kon lezen, is gedrag contextueel. En daaruit volgt iets belangrijks: ook een waarneming is verbonden met degene die waarneemt."

Image

Ook jouw waarneming heeft een context

Dat maakt je waarneming niet minder waardevol. Integendeel. Als leerkracht heb je een geoefend oog en een professionele relatie met een kind. Maar ook jij trekt soms te snel een conclusie. We hebben allemaal verwachtingen, eerdere ervaringen en beelden die bepalen wat ons opvalt. We zien gemakkelijker wat ons bestaande beeld bevestigt en soms vooral wat recent of opvallend was. Een goede manier om daar enige afstand van te nemen, is verrassend eenvoudig: vraag wat anderen zien.

Image

Kijk eens door de ogen van een ander

Begin bij je duo. Stel dat jij noteert dat een kind moeilijk om hulp vraagt en je duo zegt: “Gek, bij mij doet hij dat juist heel gemakkelijk.” Ga dan niet op zoek naar wie gelijk heeft, maar onderzoek het verschil. Wanneer vraagt hij bij je collega wel om hulp? Wat gebeurt er vlak daarvoor? Wat doen jullie misschien verschillend? Maak van het bespreken van kindkenmerken daarom ook geen administratieve verdeelklus: jij de ene helft van de klas, ik de andere. Juist het samen bespreken levert informatie op.

Ook ouders beschikken over een perspectief dat je zelf niet hebt. Zij zien hun kind thuis, tussen broers en zussen, bij teleurstelling, vermoeidheid of juist volledige ontspanning. Zeker wanneer iets een kind duidelijk belemmert of juist sterk helpt, kan de vraag “Herkennen jullie dit thuis?” een heel nieuw licht werpen op wat je op school ziet.

En soms kunnen ook andere kinderen je een inzicht geven. Niet door kinderen achter elkaars rug om te bevragen, maar bijvoorbeeld door hen na een gezamenlijke opdracht te laten reflecteren: wat ging goed in de samenwerking? Wat deed de ander waardoor jij verder kwam? Wat was lastig?

Zo verzamel je geen meningen over een kind. Je onderzoekt hoe het kind zich in verschillende relaties en situaties laat zien.


Image

Van verschillende waarnemingen naar onderwijsbehoeften

En vervolgens begint jouw professionele werk. Want al die waarnemingen hoeven niet één keurig, consistent verhaal op te leveren. Jij moet ze wegen en vertalen naar wat ertoe doet: wat belemmert dit kind in zijn ontwikkeling? Wat stimuleert juist? En wat heeft het kind, gegeven die inzichten, van ons nodig? Dat zijn de belemmerende factoren, stimulerende factoren en onderwijsbehoeften die het waard zijn om vast te leggen en over te dragen.

Een tweede of derde perspectief kan jouw observatie scherper maken. Wat je vervolgens vastlegt, lees je binnenkort in Je hoeft niet alles wat je over een kind weet op te schrijven. 

Wanneer heeft een waarneming van je duo, een ouder of een kind jouw beeld van een leerling veranderd?



Geschreven door:
Jelte de Jongh



Ontdek hoe Leeruniek het professionele werk van leerkrachten, ib’ers en kwaliteitscoördinatoren, en schoolleiders ondersteunt.

Boek een demo